Dat beeld roepen recente acties voor steun aan de sector op. Onterecht, meent Gerrit Meester, landbouweconoom en oud-medewerker van het ministerie van LNV. De melkveehouderij in Europa is volgens hem nog zeer levensvatbaar en heeft volop kansen.
De recente acties van Europese melkveehouders en besluiten van Europees Parlement en Raad voor extra steun hebben de Europese zuivelsector nieuwe imagoschade opgeleverd. Het oude beeld van boter- en mageremelkpoederbergen en hoge budgetlasten dat inmiddels vijftien jaar na dato geleidelijk verdween, keert door de acties geheel terug. Dat is hoogst schadelijk voor een op zich zeer gezonde en internationaal concurrerende sector.
Ook het schermen met een kostprijs van 40 cent per kilo melk, vermeend noodzakelijk voor de continuïteit, doet de melkveehouderij meer kwaad dan goed. Als het verschil met de marktprijs zo groot zou zijn, versterkt dat het beeld van een ’sunset industry’ die het van permanente steun moet hebben, op den duur verdwijnt en het dus ook niet meer waard is letterlijk en figuurlijk de ruimte voor verdere ontwikkeling te krijgen. Bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening of bij overheidsinvesteringen in noodzakelijke verbeteringen in de fysieke en kennisinfrastructuur. Als de marktprijs ver beneden de kostprijs ligt, rest de ondernemer twee keuzen: stoppen of je kostprijs verlagen.
Voor de continuïteit van de sector lijkt een zo hoge kostprijs niet nodig. Een marktprijs van omstreeks 30 cent is tot nu toe voldoende gebleken om de productie te handhaven of zelfs uit te breiden. De hogere prijs van vorig jaar vormde zelfs een extra stimulans tot expansie, zoals onder andere te zien is aan de enorme bouwactiviteiten van nieuwe ligboxenstallen overal in Nederland.
Ook in de discussies rond handelsliberalisatie weet de Europese landbouw bijna bij voortduring het imago van een sunset industry op te roepen. Zo bracht de vee- en vleessector in het recente verleden zwaar overdreven cijfers naar buiten over de mogelijke negatieve werkgelegenheidseffecten van de Doha-ronde. Ook dat kan grote negatieve gevolgen hebben voor het letterlijk en figuurlijk nog verkrijgen van voldoende ruimte voor verdere modernisering en aanpassing. Bovendien laadt daarmee de Europese landbouw zichzelf de schuld op van het niet succesvol afronden van de WTO-onderhandelingen, waar degenen die werkelijk de blokkades leggen zich gemakkelijk achter kunnen verschuilen, en bovendien de landbouw zelfs dwingen tot onnodige extra concessies.
De werkelijkheid is dat de meeste sectoren binnen de Europese landbouw- en voedingsmiddelensector eerder versterkt dan verzwakt uit een internationale handelsliberalisatie kunnen komen. Dat laten verschillende studies zien, onder andere van Oeso en LEI. Voorwaarde is wel dat de liberalisatie evenwichtig gebeurt, dus voor alle landen en alle sectoren.
De rundvlees- en suikersector krijgen het moeilijk, maar voor de meeste andere sectoren zijn de gevolgen beperkt negatief of zelfs positief, zo blijkt onder andere uit de Scenar 2020studie uit 2007 in opdracht van de Europese Commissie, Directoraat-Generaal Landbouw.
Voor de meeste sectoren vinden nauwelijks productieveranderingen plaats. De aanpassingen leiden vooral tot daling van grondprijzen en quotawaarden. Als ook de ontkoppelde inkomenstoeslagen verdwijnen, vindt voorts een versnelde vermindering van het aantal werkers plaats en als gevolg daarvan een versnelde schaalvergroting van bedrijven. De LEI-studie over de agrarische sector in Nederland naar 2020 laat hetzelfde beeld zien.
Het zou omwille van de continuïteit en het imago van de sector wenselijk zijn over de noodzaak tot steun aan de Europese landbouw en de gevolgen van handelsliberalisatie een realistischer beeld neer te zetten dan tot nu toe vaak gebeurt.
Globalisatie en handelsliberalisatie blijven de komende jaren onverminderd op de agenda. Juist de alom verwachte hogere internationale marktprijzen biedt Europa extra kansen haar relatief sterke concurrentiepositie op landbouwgebied verder uit te bouwen. Dat doe je door je energie te steken in verdere versterking van deze concurrentiekracht en niet in acties die het imago van een sunset industry versterken.


