Melkveehouders hebben de laatste jaren extreem goede en slechte prijzen meegemaakt. Met name de lage prijzen van 2008/’09 hebben tot de nodige protesten geleid. Denk maar aan de acties georganiseerd door de Dutch Dairymen Board (DDB). Als een reactie op de boerenprotesten heeft de EU een speciale commissie ingesteld, de zogenoemde High Level Group. Deze overleggroep heeft als taak om naar de langeretermijnontwikkelingen van de melkveehouderij in de EU te kijken. Daarbij zullen ze ook aandacht besteden aan de prijsfluctuaties, of de gevolgen daarvan voor boereninkomens te beperken.
Het ministerie van LNV heeft aan het landbouweconomisch instituut LEI gevraagd met het oog op die discussie een eigen studie te doen, waarbij in het bijzonder aandacht wordt gegeven aan de Nederlandse situatie. Het is bekend dat de Nederlandse regeringen (zowel de CDA-ministers van landbouw Veerman als Verburg) voorstanders zijn van de afschaffing van de melkquotering, zoals besloten in het Luxemburg-akkoord van 2003. Ook de Gezondheidscheck van 2008 en de aangekondigde quotumverruiming met jaarlijks 1 procent, mag rekenen op Nederlandse steun. Die laatste operatie zou moeten bijdragen aan een zachte landing, waarbij de melkveehouders en de zuivelindustrie de gelegenheid krijgen geleidelijk te wennen aan de nieuwe situatie.
In plaats van een zachte landing leek er eerder sprake van een shocktherapie, met onderuitgaande prijzen. De doelstelling van de LEI-studie was dan ook om te kijken of zaken niet beter zouden kunnen, zonder overigens de hoofdlijn van het EU beleid ter discussie te willen stellen. De studie leverde een aantal interessante inzichten op.
Uit een analyse van de recente ontwikkelingen werd duidelijk dat de quotumverruiming in het recente verleden niet de oorzaak is geweest van de problemen met de melkprijs. De melkproductie in de EU is namelijk niet of nauwelijks toegenomen. Veel belangrijker zijn internationale factoren en de wereldwijde economische recessie. Door de slechte marktomstandigheden werden melkveehouders wel voor het eerst geconfronteerd met het effect van de verlaagde interventieprijzen. Die leiden ertoe dat Brussel niet in actie komt alvorens de melkprijs is gedaald tot circa 21 à 22 eurocent per liter. Interventie is dus nu echt een vangnet geworden tegen extreem lage prijzen, maar verder helpt het niet veel meer.
De studie schat in dat op langere termijn (zeg in 2020) en rekening houdend met een nieuw WTO-akkoord met een melkprijs ergens tussen de 27 tot 29 eurocent moet worden gerekend. Op dit moment heeft circa een derde van de Nederlandse bedrijven een kritische melkprijs die rond dat niveau ligt. Zij kunnen dat dus nu al aan. Voor tweederde van de bedrijven geldt dat zij in hun continuïteit worden bedreigd bij zo’n prijs. Daar ligt een probleem.
Wat uit de studie verder naar voren komt, is de cruciale rol van het aanpassingsvermogen van de sector. De ontwikkeling van de bedrijfsstructuur heeft in het verleden een belangrijke rol gespeeld als het gaat om het omlaag brengen van de kostprijs. En dat blijft ook in de toekomst zo. Verantwoorde bedrijfsontwikkeling is hét antwoord om je te wapenen tegen magere prijzen. In het verleden heeft men daarom ondanks in reële zin dalende prijzen toch nog een stuk inkomensgroei kunnen realiseren. Uit modelanalyses komt naar voren dat die mogelijkheid ook voor de toekomst cruciaal is.
Het feit dat Nederlandse melkveehouders nog steeds tegen de quotumbeperking aanlopen, vertraagt het noodzakelijke aanpassingsproces en maakt dit bovendien extra kostbaar (wie wil uitbreiden moet quota kopen). Nederland heeft er dus belang bij dat die beperking zo snel mogelijk van de baan is. Quotering betekent op dit moment voor de Nederlandse melkveehouder vooral lasten en weinig lusten (nu nauwelijks bijdrage van de quota aan een goede melkprijs). Daarom kan die beperking daarom het beste zo snel mogelijk weg zijn. Ook zonder dat is de uitdaging voor de toekomst al groot genoeg.
Roel Jongeneel is hoofd sectie landbouwbeleid bij het LEI


